Fietsen
Bovenop de heuvel stond ze plotseling stil. Haar fiets aan de hand, zwart tegen de lucht, het silhouet zo klein als een windhaan op een kerktoren in de verte. Haar fiets was stuk. Ik liep de berg op, zag hoe ze naast de fiets knielde en de schade opnam. Haar haren waren kort, een beetje slordig met gel in alle richtingen geduwd. Ze zag me naderen en wachtte af.
‘Pech?’ zei ik. Ze knikte. De achterband was lek.
‘Er zit een stukje glas in,’ zei ze. ‘Als ik er zo mee naar huis loop, is de band helemaal naar de knoppen.’
‘Ik woon vlakbij, je kunt wel even mee,’ bood ik aan. Ze keek even de weg op en af, alsof ze peilde wat de beste optie was. Daarna zei ze: ’Goed. Als het vlakbij is.’
We liepen achterom, de spullen om een band te plakken stonden in de stal.
‘Let maar niet op de troep.’
‘Ik hou van die oude rommelplekken,’ zei ze. ‘We hadden als kinderen ook zo’n plek, bij onze ouders thuis. We speelden er verstoppertje.’
‘Woonde je hier in de buurt dan?’ Ik vroeg het, omdat we van dezelfde leeftijd waren en ik het gevoel had dat ik haar ergens van kende.
‘Ik woonde op de spoorsingel,’ zei ze. ‘Daar hadden mijn ouders een vrijstaand huis. Maar nu woon ik bij de bosrand.
Belletjes borrelden op waar het rubber was geraakt. Daarna gooide ik de teil leeg. Je kon wel merken dat ik lang niet meer had gefietst, ik wist niet goed meer hoe het ging, een band plakken. Ze hielp me.
‘Ik fiets bijna nooit meer,’ zei ik. ‘Ik vraag me af of ik het nog kan.’
‘Fietsen verleer je niet. Wat je als kind leert, vergeet je niet.’
Ik moest denken aan mijn vader, die me leerde fietsen, zoals vaders dat doen. Op een zondag, dan was het niet zo druk. Ik dacht: ‘Niet loslaten! Alsjeblieft niet, want dan val ik.’ Wat ik niet besefte, was dat hij allang losgelaten had en ik op eigen kracht verder ging.
‘Tegenwoordig zit iedereen in de auto. Zelfs naar de super om de hoek,’ zei de vrouw. ‘Je zou de auto eens wat vaker moeten laten staan. ‘ Ze lachte erbij en nu wist ik zeker dat ik die lach ergens van kende.
‘Het zal wel helemaal verkeerd zijn, maar ik breng mijn kinderen altijd met de auto.’
‘Oh,’ zei ze, een beetje verbaasd. ‘Maar kinderen moeten toch leren fietsen. Je kunt ze niet tegen alles beschermen.’
De band was klaar en ze bedankte me. Mijn brein bleef zoeken bij welke situatie of gebeurtenis uit het verleden haar gezicht paste. We moesten wel haast op dezelfde lagere school hebben gezeten. Haar blik verraadde dat ze mij ook leek te herkennen, maar het niet zeker wist. Ze wilde bijna iets zeggen, maar nam toen alleen afscheid en fietste weg.
Ik sloot de stal af en liep naar het kerkhof, waar Tommie lag begraven. Een klein kindergraf, het graf van mijn broertje. De teller was voor hem op tien blijven staan. Ik was elf, toen hij stierf. De leraar op lagere school haalde me uit de klas en zei op de gang dat er iets vreselijks was gebeurd. Ik moest maar snel naar huis gaan en vertellen dat Tommie op zijn fiets was aangereden door een vrachtauto. Hij was dood. Urenlang liep ik langs de straten, zag de plek waar het was gebeurd vanuit de verte, maar durfde niet naar huis te gaan. Het graf was verwaarloosd, ik legde er zelden nog bloemen. Mijn vader, die nog leefde, was te oud. De man die mij had leren fietsen was ook nu niet meer dan een symbolisch steuntje in de rug. Hij had me zoveel bagage meegegeven, dat ik ook alleen verder kon in het leven.
Achter mij klonk het knarsen van grint, een fiets kwam de toegangsweg naar het kerkhof op. Het was de vrouw waarvan ik zojuist afscheid had genomen. Ze was een beetje buiten adem toen ze afstapte.
‘Sorry dat ik je achterna kom, maar ineens meende ik je te herkennen,’ zei ze en veegde enkele slordige pieken haar uit haar ogen. ‘Ik zag je naar het kerkhof gaan en toen ben ik teruggekomen. Volgens mij ben je familie van die jongen die toen is doodgereden op de Molenweg. Ik zat op dezelfde school.’
‘Dat klopt,’ zei ik. ‘Tommie was mijn broer.’
Nu wist ik wie de vrouw was: haar gekortwiekte haren van nu zaten toen in lange vlechten met van die kleurige nylon linten die nooit kreukten. Ze zat inderdaad op dezelfde school, maar een klas hoger. Ik was haar tegengekomen op weg naar huis, toen ik het nieuws over Tommie had gekregen. Ze zat met haar slordige vlechten en kapotte kousen op een hek bij de spoorwegovergang. Ze vroeg of ik soms ook spijbelde. Ik vertelde dat ik iets vreselijks had gehoord en niet naar huis durfde. Daar zat ik dan, op een roestig hek, met een vreemd meisje te praten. Ik was haar helemaal vergeten en zij mij kennelijk ook. Tot nu.
‘Wij hebben nog met elkaar gesproken, die dag,’ zei ik . ‘Herinner je je dat? Je zat bij het spoor.’
Nog steeds was er dat knagende schuldgevoel bij die herinnering, omdat ik niet naar huis ging, zoals de meester had gevraagd. Wat je als kind leert, vergeet je niet. Ik wist al dat Tommie dood was en ik had met een meisje zitten praten alsof er niets aan de hand was. Gek dat mij nu pas te binnen schoot dat die onderwijzer dat nooit aan mij had mogen vragen.
‘Ja,’ zei ze. ‘Dat herinner ik me nog goed. ‘Ik voelde me heel rot, want ik had gespijbeld omdat ik die dag met Tommie afgesproken had. We wilden stiekem roken achter busremise. Ik dacht steeds: als ik niet met hem afgesproken had…’
‘Tommie spijbelde heel vaak,’ zei ik. ‘Het was zonder jou misschien ook zo gegaan.’
Ze knikte, maar keek toch triest.
‘Ik leg nooit meer bloemen op zijn graf,’ zei ik en veegde wat mos van de verweerde steen. ‘Eigenlijk jammer, juist een kindergraf ziet er altijd zo treurig uit als het onderkomen is.’
‘Ik wil wel eens wat plantjes zetten,’ zei ze. ‘Trouwens, ik heet Annie.’
Ik had nooit geweten dat het meisje met de nylon haarlinten Annie heette.
‘Nou Annie, dan zetten we toch samen eens wat plantjes? Misschien volgend weekend?’
Ze lachte.