Home      Henry de Hoon
 

 

De Drielandentrilogie verscheen in 2015 als e-boek:
Drielandenmoord ISBN: 978-94-91561-46-7
Moordate ISBN: 978-94-91561-47-4
Moord op recept ISBN: 978-94-91561-48-1
Via elke boekenwebshop als bol.com
 
Henry de Hoon completeerde de Drielandentrilogie over inspecteur Vriens met het boek: 
 
Spannende politieroman met de nodige humor!
Het boek verscheen op 11 oktober 2014 en werd goed ontvangen.
Titel: Moorddate:
Auteur: Henry de Hoon
ISBN: 978-94-91561-34-4
Prijs: € 17,90


Koop de boeken van henry de Hoon via www.ticshop.nl 


Nieuwe politieroman van Henry verschijnt op 26 mei a.s. 
Henry de Hoon (1959) studeerde af aan het conservatorium te Maastricht als pianist. Hij werkt bij het Arcus College in Heerlen. Moorddate is zijn vijfde roman en is ook weer met rechercheur Vriens als hoofdpersoon. Drielandenmoord was de eerste roman met deze rechercheur als hoofdpersoon. Zijn eerdere boek, Dood Vermogen, kreeg uitstekende recensies en werd genomineerd voor de Diamanten Kogel. Verder publiceerde hij korte verhalen in diverse bundels. Als columnist werkt hij mee aan Limburgs Land bij L1. Hieronder zijn boeken en enkele van zijn columns. En het Raadselige Roos prijswinnend verhaal FIETSEN. Een interview met hem in het programma Cultuurcafé is te horen via:

http://www.l1.nl/L1NWS/mediaplayerpopup/_rp_comm_lsvideoId/1_5214653.

Wilt u contact met hem, mail uw naam en e-mailadres door naar info@uitgeverijtic.nl
 
Titel: Moorddate
Auteur: Henry de Hoon
ISBN: 978-90-78407-97-3
Prijs € 19,90
Verschijnt op 26 mei a.s.
 

Titel: Drielandenmoord

Auteur: Henry de Hoon

ISBN: 978-90-78407-66-9

Prijs: 17,50
 

Het boek bevat alle elementen voor een spannend, amusant en informatief verhaal. In zijn speurtocht naar de dader van een moord komt inspecteur Tom Vriens niet alleen langs vele bekende plekken uit het Zuid-Limburgse grensgebied, maar hij beschrijft ook veel personen die in deze omgeving werkelijk de revue zouden kunnen passeren.

 

In het labyrint bij het Drielandenpunt in Vaals wordt het ontzielde lichaam van een bejaarde man gevonden, een moord die drie nationaliteiten politie op de been brengt. Inspecteur Tom Vriens van de recherche Vaals krijgt opdracht uit te zoeken wat er is gebeurd. Het spoor leidt naar een hotel in België, Hotel Wazige Verten. Daar krijgt hij te maken met een verzuurde uitbaatster, een dronken kelner en Wout Dijkstra, een gast uit Groningen die probeert een wandelgids te schrijven. Al snel blijkt dat de grensstreek nogal wat geheimen heeft, zoals een Duitse nudistenvereniging, een spirituele kunstenares en een tuinman die meer doet dan alleen de heg knippen. Bovendien is er een New-Age achtige beweging aan het werk die liever in de luwte van de publiciteit opereert. Kortom: spanning en vermaak gaan hand in hand in deze ongewone misdaadroman.
 

Titel: Dood vermogen

Auteur: Henry de Hoon

ISBN: 978-90-78407-30-0

Prijs i 14,90

Bruno Vonder werkt als personeelsmanager bij een bedrijf van medische apparatuur. Hij wordt al jarenlang achtervolgd door de mysterieuze zelfmoord van Roos Glazenmaker, een werkneemster die hij moest ontslaan. Als hij zelf op straat komt te staan en door een vreemd toeval in aanraking komt met de excentrieke zussen van Roos, worden zijn verdenkingen ten opzichte van zijn voormalig werkgever groter. Zij wijzen hem op de twijfelachtige rol die psycholoog Remmen speelde bij de ondergang van hun zus. Hij gaat op onderzoek uit. Langzaam maar zeker komt Bruno tot de conclusie dat er iets helemaal mis is met de firma en dat de dood van Roos veel meer was dan een trieste zelfmoord.

Een spannende psychologische thriller over macht, geld en de duistere spelletjes van arbo‑diensten, bedrijfsmanagement en projectontwikkelaars in Zuid-Limburg.

 

De pont

roman van Henry de Hoon

ISBN: 90-76043-76-0

Prijs i14,90

Wanneer Lis en Werner hun driejarig dochtertje bij een tragisch ongeluk verliezen probeert Werner zo veel mogelijk in drukke werkzaamheden te vluchten, terwijl Lis de herinnering en het schuldgevoel maar niet kwijt raakt. Dat zet hun relatie zo onder druk dat ze nauwelijks nog met elkaar praten met alle gevolgen van dien. Zowel Lis als Werner vinden nieuwe vrienden met wie ze de problematiek kunnen bespreken of vergeten. De twee nieuwe werelden botsen met elkaar, vooral omdat beide partners met het gemeenschappelijke verleden niet hebben kunnen afrekenen.

(columns uit het L1 radio-programma Limburgs Land:
 

Fietsen

Bovenop de heuvel stond ze plotseling stil. Haar fiets aan de hand, zwart tegen de lucht, het silhouet zo klein als een windhaan op een kerktoren in de verte. Haar fiets was stuk. Ik liep de berg op, zag hoe ze naast de fiets knielde en de schade opnam. Haar haren waren kort, een beetje slordig met gel in alle richtingen geduwd. Ze zag me naderen en wachtte af.

‘Pech?’ zei ik. Ze knikte. De achterband was lek.

‘Er zit een stukje glas in,’ zei ze.  ‘Als ik er zo mee naar huis loop, is de band helemaal naar de knoppen.’

‘Ik woon vlakbij, je kunt wel even mee,’ bood ik aan. Ze keek even de weg op en af, alsof ze peilde wat de beste optie was. Daarna zei ze: ’Goed. Als het vlakbij is.’

We liepen achterom, de spullen om een band te plakken stonden in de stal.

‘Let maar niet op de troep.’

‘Ik hou van die oude rommelplekken,’ zei ze. ‘We hadden als kinderen ook zo’n plek, bij onze ouders thuis. We speelden er verstoppertje.’

‘Woonde je hier in de buurt dan?’ Ik vroeg het, omdat we van dezelfde leeftijd waren en ik het gevoel  had dat ik haar ergens van kende.

‘Ik woonde op de spoorsingel,’ zei ze. ‘Daar hadden mijn ouders een vrijstaand huis. Maar nu woon ik bij de bosrand.

Belletjes borrelden op waar het rubber was geraakt. Daarna gooide ik de teil leeg. Je kon wel merken dat ik lang niet meer had gefietst, ik wist niet goed meer hoe het ging, een band plakken. Ze hielp me.

‘Ik fiets bijna nooit meer,’ zei ik. ‘Ik vraag me af of ik het nog kan.’

‘Fietsen verleer je niet. Wat je als kind leert, vergeet je niet.’

Ik moest denken aan mijn vader, die me leerde fietsen, zoals vaders dat doen. Op een zondag, dan was het niet zo druk. Ik dacht: ‘Niet loslaten! Alsjeblieft niet, want dan val ik.’  Wat ik niet besefte, was dat hij allang losgelaten had en ik op eigen kracht verder ging.

‘Tegenwoordig zit iedereen in de auto. Zelfs naar de super om de hoek,’ zei de vrouw.  ‘Je zou de auto eens wat vaker moeten laten staan. ‘ Ze lachte erbij en nu wist ik zeker dat ik die lach ergens van kende.

‘Het zal wel helemaal verkeerd zijn, maar ik breng mijn kinderen altijd met de auto.’

‘Oh,’ zei ze, een beetje verbaasd. ‘Maar kinderen moeten toch leren fietsen. Je kunt ze niet tegen alles beschermen.’

De band was klaar en ze bedankte me. Mijn brein bleef zoeken bij welke situatie of gebeurtenis uit het verleden haar gezicht paste. We moesten wel haast op dezelfde lagere school hebben gezeten. Haar blik verraadde dat ze mij ook leek te herkennen, maar het niet zeker wist. Ze wilde bijna iets zeggen, maar nam toen alleen afscheid en fietste weg.

Ik sloot de stal af en liep naar het kerkhof, waar Tommie lag begraven. Een klein kindergraf, het graf van mijn broertje. De teller was voor hem op tien blijven staan. Ik was elf, toen hij stierf. De leraar op lagere school haalde me uit de klas en zei op de gang dat er iets vreselijks was gebeurd. Ik moest maar snel naar huis gaan en vertellen dat Tommie op zijn fiets was aangereden door een vrachtauto. Hij was dood. Urenlang liep ik langs de straten, zag de plek waar het was gebeurd vanuit de verte, maar durfde niet naar huis te gaan. Het graf was verwaarloosd, ik legde er zelden nog bloemen. Mijn vader, die nog leefde, was te oud. De man die mij had leren fietsen was ook nu niet meer dan een symbolisch steuntje in de rug. Hij had me zoveel bagage meegegeven, dat ik ook alleen verder kon in het leven.

Achter mij klonk het knarsen van grint, een fiets kwam de toegangsweg naar het kerkhof op. Het was de vrouw waarvan ik zojuist afscheid had genomen. Ze was een beetje buiten adem toen ze afstapte.

‘Sorry dat ik je achterna kom, maar ineens meende ik je te herkennen,’ zei ze en veegde enkele slordige pieken haar uit haar ogen. ‘Ik zag je naar het kerkhof gaan en toen ben ik teruggekomen. Volgens mij ben je familie van die jongen die toen is doodgereden op de Molenweg. Ik zat op dezelfde school.’

‘Dat klopt,’ zei ik. ‘Tommie was mijn broer.’

Nu wist ik wie de vrouw was: haar gekortwiekte haren van nu zaten toen in lange vlechten met van die kleurige nylon linten die nooit kreukten. Ze zat inderdaad op dezelfde school, maar een klas hoger. Ik was haar tegengekomen op weg naar huis, toen ik het nieuws over Tommie had gekregen. Ze zat met haar slordige vlechten en kapotte kousen op een hek  bij de spoorwegovergang. Ze vroeg of ik soms ook spijbelde. Ik vertelde dat ik iets vreselijks had gehoord en niet naar huis durfde. Daar zat ik dan, op een roestig hek, met een vreemd meisje te praten. Ik was haar helemaal vergeten en zij mij kennelijk ook. Tot nu.

‘Wij hebben nog met elkaar gesproken, die dag,’ zei ik . ‘Herinner je je dat? Je zat bij het spoor.’

Nog steeds was er dat knagende schuldgevoel bij die herinnering, omdat ik niet naar huis ging, zoals de meester had gevraagd. Wat je als kind leert, vergeet je niet. Ik wist al dat Tommie dood was en ik had met een meisje zitten praten alsof er niets aan de hand was. Gek dat mij nu pas te binnen schoot dat die onderwijzer dat nooit aan mij had mogen vragen.

‘Ja,’ zei ze. ‘Dat herinner ik me nog goed. ‘Ik voelde me heel rot, want ik had gespijbeld omdat ik die dag met Tommie afgesproken had. We wilden stiekem roken achter busremise. Ik dacht steeds: als ik niet met hem afgesproken had…’

‘Tommie spijbelde heel vaak,’ zei ik. ‘Het was zonder jou misschien ook zo gegaan.’

Ze knikte, maar keek toch triest.

‘Ik leg nooit meer bloemen op zijn graf,’ zei ik en veegde wat mos van de verweerde steen. ‘Eigenlijk jammer, juist een kindergraf ziet er altijd zo treurig uit als het onderkomen is.’

‘Ik wil wel eens wat plantjes zetten,’ zei ze. ‘Trouwens, ik heet Annie.’

Ik had nooit geweten dat het meisje met de nylon haarlinten Annie heette.

‘Nou Annie, dan zetten we toch samen eens wat plantjes? Misschien volgend weekend?’

Ze lachte.
 
Boeddha in de abrikozenboom
Soms moet je in de tuin afscheid nemen van een plant of boom. En net als in het echte leven valt dat niet altijd mee. Zo staat er al jaren een abrikozenboom in mijn tuintje die rijp is om gerooid te worden. Hij heeft altijd prachtige bloesem, heel vroeg in het voorjaar. Dan is het spannend of de tere bloemen de vorst die dan nog regelmatig opduikt, overleven. Bij min vier is het gebeurd. Maar meestal blijven er genoeg bloemen over om heerlijke abrikozen voort te brengen. In zijn topjaar stond ik tot mijn enkels in de abrikozen als ik aan de takken schudde en haalde ik er minstens tien emmers abrikozen af.
Een paar jaar geleden kreeg hij perenvuur en toen leek het met hem gedaan. Ik snoeide alle takken af om de ziekte terug te dringen, maar verwachtte er niet veel van. Toch hij herstelde wonderwel .
Kort daarna verscheen er een paddenstoel op de stam en er droop stroperige hars uit de takken; geen teken van een blakende gezondheid. En de vruchten vertoonden elk jaar meer vlekken en sporen van infectie. Omdat de boom toch een beetje vermoeid en afgetakeld begon te ogen, besloot ik hem weg te laten halen. Een kennis met een zaag zou me helpen.
'Wat een gezellige boom, weet je het zeker?' was zijn commentaar. Voldoende om mij meteen op mijn drastische besluit te laten terugkomen. Want het is waar: het is een gezellige boom, zoals de meeste fruitbomen. En je raakt eraan gehecht zoals aan een oude hond.
Dit jaar was ik ineens echt overtuigd dat zijn tijd gekomen was. De grootste takken begonnen in de lengte verrotting en scheuren te vertonen en zouden ongetwijfeld bij de eerste beste storm de rest van de tuin vernielen. Maar toen ik hem eens goed inspecteerde vanaf de stoep langs mijn tuin, zag ik ineens een klein, zilverkleurig boeddha beeldje op de stomp van een afgezaagde tak staan, waarschijnlijk neergezet door een kind of een spiritueel aangelegde buurtbewoner. Tja, en toen was mijn vastbeslotenheid weer flink geslonken. Een boom die de zegen heeft van goden ga je niet omzagen.
Waarschijnlijk zal het net gaan als met de veel besproken boom van Anne Frank, die een jaar na de reddingsactie omging. Maar dat zie ik dan wel weer.
De abrikozen smaken nog best trouwens. Dus komend voorjaar zal er toch weer die frêle bloesem verschijnen aan de verrotte, vermoeide takken. En dan zal ik toch weer denken: het is voorjaar.
 
Paddo´s

Ik geef het toe: ik was verslaafd aan paddo´s. Niet die uit de koffieshop, maar die in de paddestoelenencyclopedie. Zoals alle verslavingen, begon ook deze sluipend. Als je iets wil bestuderen in de natuur lijken paddestoelen een makkelijk onderwerp. Om te beginnen staan ze goed stil. Dat is bij vogels bijvoorbeeld wel anders. Die hebben de irritante gewoonte om weg te vliegen net als je ze beter wil bekijken. Daar hoef je bij paddestoelen niet bang voor te zijn, al zou je bij de vliegezwam kunnen gaan twijfelen en er schijnen nog een paar slijmzwammen te bestaan die een vreemde wandeling kunnen maken wanneer ze in een vloeibaar stadium zijn.

De tweede reden waarom paddestoelen mij een mooi studieobject voor beginners leek, is dat ze zulke opvallende kleuren en vormen hebben. Daardoor zouden ze wel makkelijk terug te vinden zijn in een gids, dacht ik. Echter, daar zat het sluipende gevaar. Als je bij een knalgele hoed met witte steel denkt dat je van die paddestoel snel de naam zult vinden, kom je tot de ontdekking dat er in de paddestoelenencyclopedie wel tien bladzijden staan met paddestoelen die een knalgele hoed en witte steel hebben. Ze hebben allemaal onuitspreekbare namen of ze heten fopzwam, alsof het nog niet verwarrend genoeg is. Voordat je het weet kruip je over de grond en hebt voor niets anders meer oog dan voor die vreemde vruchtlichamen. Je begint met een klein spiegeltje onder de hoeden te loeren, om te zien of ze buisjes of plaatjes hebben, zodat medewandelaars zich afvragen welke neurotische aandoening ten grondslag ligt aan deze uit de hand gelopen hobby.

Zoals alle verslaafden die in het reine komen met zichzelf, had ook ik een beslissend moment waarop ik met mijzelf geconfronteerd werd. Ik had een klein wit zwammetje gevonden waar slechts door microscopisch onderzoek van kon worden vastgesteld of het om het halmruitertje of het dwergwieltje ging. De sporen van de eerste zouden rond zijn, die van de tweede zouden een citroenvorm moeten hebben. Ik slaakte een ijselijke overwinningskreet toen het een citroenvorm bleek te zijn. Een dwergwieltje! Op dat moment kwam een kennis geschrokken binnenrennen, in de veronderstelling dat mij iets vreselijks was overkomen. Ik wilde nog uitleggen dat ik eindelijk een dwergwieltje bij mijn trofeeënkabinet  kon bijschrijven, toen ik besefte hoe belachelijk die mededeling zou klinken. Ik sloot resoluut mijn paddestoelenencyclopedie en zei kalm: ´Niets aan de hand. Dit was de laatste.´

Nee, er is niets geestverruimends aan paddos, integendeel, je wereldje wordt heel, heel klein. Neemt u dat maar van mij aan, als ervaringsdeskundige.

 
Van oude bomen en dingen die voorbij gaan

Het ene land heeft méér met bomen dan het andere. In Engeland heeft een boom soms nog voorrang. Toen ik op de Woodstockroad in Oxford bij een bushalte stond, zag ik een muur die om de wortels van een boom was heen gebouwd. Waar de boom over de stoep was gegroeid en de muur niet verder kon, had men een keurig boogje in de muur gemetseld, afgezet met een sierrandje.  Daarna ging de muur weer in strakke lijn verder. Die boom had het in Nederland niet overleefd. Hier gaan muren voor, en bomen om. De grote Magnolia op de Akerstraat in Heerlen werd omgezaagd: niet eens omdat er een muur moest komen, maar omdat de aannemer dat een geschikte plek voor zijn bouwkeet leek.

Naast het driftig kappen van bomen, lijkt Nederland ook geobsedeerd door ´nieuwe aanplant´. Oude bomen worden omgezaagd en dan vervangen door ´nieuwe aanplant´. Alsof het een fris nieuw behangetje betreft waar we blij mee moeten zijn. Oude bomen in het bos worden gekapt om ´de onderbegroeiing een kans te geven´. Dat is alsof je de bloemen uit een bos rozen knipt, om de bladeren beter tot zijn recht te laten komen. In het Heerlense Aambos werden bomen gekapt, om het gevoel van veiligheid te vergroten en het aantal zwervers in het bos te beperken. Met als gevolg dat nu een nog veel groter aantal zwervers heerlijk ligt te zonnen in de nieuwe onderbegroeiing.

Het is een beetje alsof men bang is voor oude bomen. Ze staan de vooruitgang in de weg en alles moet verder.

Behalve de boom van Anne Frank, die kan op grote sympathie rekenen, want als een boom door een bekende Nederlander is bekeken dan is ie opeens erg belangrijk. Dan wordt die boom in een harnas gehesen en met alle zorgen omringd. Niemand die dan zegt: laten we een nieuwe zetten en Anne Frank-potloodjes maken van de oude.

Soms is vernieuwing het voortzetten van een oude traditie, zoals de oude lei linden langs het terras van de Rode Leeuw in Wittem, die nu vervangen zijn door nieuwe. In de oude zaten grote gaten van ouderdom waar je een hand in kon steken. Het was een kwestie van tijd voordat er eentje op de salade Nicoise met Gerardus dubbel zou vallen, en dat kan natuurlijk niet. Maar de bomen waren zo karakteristiek voor het aanzien van de locatie, dat er vanzelfsprekend voor nieuwe aanplant werd gekozen. De linden mogen daar ook weer naar hartelust oud worden.

Oude bomen zijn als oude mensen: ze worden een beetje krom en er vallen wat gaten, maar daarom zijn ze juist zo interessant. Laat mij maar als een knoestige oude lindeboom zijn later. Bij een terras dan wel, als het even kan.

 
Stilte
Het is volgens mij een misverstand dat het in de natuur zo heerlijk stil zou zijn.

Het begint ´s avonds al, als er een egel met luid gekraak door de heg komt en blaast naar een rivaal, die net een fles heeft omgegooid. Als ik in bed lig, komt de uil, die een angstaanjagende kreet slaakt wanneer hij rondjes om de huizen vliegt. Net als ik van de schrik bekomen ben, klinkt het gevreesde gezoem. Nee hè, toch niet nog een mug. Licht aan, gedraaf met een pantoffel door de kamer, harde klap tegen het plafond, stilte. Toch nog even slapen misschien? Welnee, nu wordt de familie muis wakker op zolder. Ze rennen tussen de vloerplanken tot het een lieve lust is en daarbij is er eentje hardleers: die stoot tot drie maal toe hoorbaar zijn hoofd tegen een obstakel. En dan heb ik het nog niet over die muis die enkele jaren geleden in de piano was gekropen en daar een hele moderne compositie ten gehore bracht. Ik dacht dat die uil de muizen wegving?

Tegen de ochtend begint de kat. Die start met een vals gemiauw, dat langzaam aanzwelt tot een krols gekrijs. Ik stel me dan in gedachten voor hoe ik naar het raam ga en een steen tegen zijn bast gooi, maar ik heb geen steen en heb ook eigenlijk geen zin om naar het raam te lopen. Ik wil alleen maar slapen. Als ik lig te bedenken welke voorwerpen uit mijn slaapkamer nog meer geschikt zijn om naar een kat te gooien, begint de houtduif aan zijn dag. De meeste duiven zeggen roekoe, maar deze heeft minder inspiratie. Hij laat alleen een dof poe poe poe, horen. Heb ik hem daarvoor de hele winter gevoerd? Als eerste zat hij altijd op de voedertafel en schoof hele ladingen vogelvoer en brood naar binnen. Dan gelooft hij het wel natuurlijk.

Niet lang na de duif valt het hele vogelkoor in, van het schrille stemmetje van de winterkoning, tot de losse, brutale zang van de merel.

Een roek landt op het platdak naast mijn raam en pikt met zijn zware snavel insecten tussen de kiezel uit. Het geklop lijkt op een mysterieuze morsecode die ik moet ontcijferen.

Eindelijk, tegen zessen, komt dan het vertrouwenwekkende gedruis van het verkeer op gang. Bij die heerlijke monotone klank van vierwielers val je toch veel beter in slaap dan die oorverdovende stilte van de natuur.

 

 
   
 
   
 
   
©2009 Uitgeverij TIC